DE ZOETIGHEID VAN EEN WESPENSTEEK

Inhoud

Raoul neemt dagelijks de trein naar het werk, maar op een dag blijft hij gewoon zitten. Aan de eindhalte moet hij uitstappen en belandt in een voor hem vreemde omgeving. Vindt onderdak bij de cafébazin Mylou – zolang Fernand er niet is – en onderhoudt zich met de stamgasten: de dikke, de schele, de geblondeerde dame en haar minnaar, de ingenieur van de spoorwegen . Ze vertellen straffe verhalen over zichzelf en over wat hen bezighoudt. Raoul ontdekt er ook het theater en de passies die er oplaaien. Tot Fernand thuiskomt en Raoul moet vertrekken. Hij wordt opgevangen door het ocmw. Zijn vrouw spoort hem op en zegt dat zijn dochtertje hem al die tijd erg gemist heeft.

Duurtijd: 40 minuten

Auteursrechten: Almo

web zoetigheid

Foto van de voorstelling De zoetigheid van een wespensteek in symbiose met Hart in La Barraca in Gent (2006)

Fragment

RAOUL  Greta geeft me een por in mijn zij. Ik schrik wakker. De wekker ! Ik leg het alarm af, slof naar de badkamer, plas, bekijk de kleur van de straal, verfris mij, scheer mij met gillette, kleed me aan, zet koffie, drink een kop, eet een toast met kersenkonfituur, haal de krant uit de brievenbus en vertrek naar het station. De trein brengt me elke ochtend naar mijn bestemming. Ik lees de krant, de frontpagina, het binnenlands nieuws, het buitenlands nieuws, de cultuurpagina, het sportnieuws …. ik dommel als naar gewoonte in.

Vooruit, wakker worden, uitstappen, roept een collega. Een ander port mij aan, legt mijn aktetas op mijn schoot, mijn jas op mijn schouder, ik beweeg niet, ik blijf driekwartier lang zo zitten, op een halflege trein die zich als een rode mol door het lelijke landschap boort. Het is half acht op de stationsklok. De treinwachter tikt op de ruit. Uit het gebaar kan ik afleiden dat de trein niet verder rijdt. Ik volg de laatste passagierster, een vrouw met hoofddoek. Ik zoek het buffet op. Een walm waait me in het gezicht. De ongezellige zaal zit vol mannen en vrouwen, die je achter een waas van sigarettenrook nauwelijks van elkaar kan onderscheiden. Ze praten luid en maken brede gebaren. De ober vraagt van ver wat het moet zijn. Een koffie ! Stilte Hier en daar vang ik een woord van de geanimeerde gesprekken op : socialiste, islamiste, flamands, Verhofstad, Vandelannotte, Elio Di Rupo, Renard, Onckelinckx, Leterme, madame non, charbon, métallurgie, misère, Cools, les jeunes, les Nord-africains, Le Standard, le championat, D’Onofrio, Defour, Bruges, Anderlecht, Frutos … plots begint een oude ongeschoren krijger de Brabançonne te zingen waarop een vrouw met hoge stem de Internationale aanheft en de vuist balt. Zingt

Ik verlaat het volkshuisachtige stationsbuffet en stap door alsof ik naar mijn werk ga. Je verleert het niet van de ene op de andere dag. Ik onderbreek mijn route om in de etalage te kijken. In de weerspiegeling zie ik meisjes van acht en negen met een rugzak vol schoolboeken. Ze herinneren me aan Evelientje, mijn dochter van acht. Als ik mijn vrouw mag geloven, vertoont het kind lichte vormen van rebellie en anarchie. Haar ontregelde spijsvertering, acné en lichte haaruitval hebben daarmee te maken, beweert Greta en ze voegt er aan toe dat Evelientjes tanden angstvallig uit elkaar groeien, alsof de duivel ermee gemoeid is. Een allusie op mijn goddeloosheid.

Ik haal geld uit de muur en ga de stad in. Een vrouwtje veegt de stoep en staat in zichzelf te praten als ik haar aanspreek: het mooiste plekje in de stad, madame?

Er zijn hier veel kastelen en molens, meneer!

Ik bedoel een gezellig plekje in de stad.

Er zijn geen gezellige plekjes meer, meneer, met al die vreemdelingen en die jongeren die

geen werk hebben.

Ik ken dat liedje, heb mijn eigen mening en hou die voor mezelf.

Ik beland bij Mylou en haar stamgasten. Aan de toog zitten Michel, een kloon van Paul Henry Spaak zaliger en Henry, een schele met een tic nerveux, die als hij praat, door het raam kijkt in plaats van naar zijn gesprekspartner. Aan het tafeltje bij het raam zit een geblondeerde dame van middelbare leeftijd. Ze draagt nepjuwelen en drinkt trappist. Ze wacht op haar minnaar, een ingenieur van de spoorwegen, zegt de schele, die mij in haar richting ziet kijken. Maar haar minnaar blijft weg en zij vertrekt.