SPAT – GROSSO MODO

Inhoud

In de monoloog SPAT wordt de laatstejaars scholier Véronique verrast door een hels stormweer dat letterlijk en figuurlijk haar leven over hoop haalt.

Is een voorbode van het stuk ONRUST.

De monoloog werd opgevoerd op de tweede editie van Spots op West  in parallel met de monoloog DE ZOETIGHEID VAN EEN WESPENSTEEK. De dubbelmonoloog, GROSSO MODO, werd gebracht door Anton Cogen en Nele Lisabeth. 

Duurtijd: 20 minuten

Auteursrechten: Almo

Fragment

(roept) Virginie! Virginie! Stilte Hoort zij mij dan niet? De regen striemt mij in het gelaat. Mijn handen zijn verkleumd. Ik trek de remmen dicht en zie de rode stip van het achterlichtje van Virginie’s fiets in de verte verdwijnen. Schreeuwt Virginie! Virginie! Stilte Virginie, verdomme, kijk toch om! Ze kijkt niet om en beukt alleen verder tegen de gierende wind en de slagregen. Ik gooi mijn fiets tegen de eerste de beste boom en hurk neer. Ik jank gelijk een hond. Mijn tong proeft het zilte vocht, een mengsel van tranen en regenwater. Kale takken bieden geen bescherming. Ik ruik het rot van de bladeren. Ik zie het wegdek langzaam in een zee van water verzuipen. Stilte Ik hoor het lawaai van een naderend voertuig. Stilte Koplampen priemen door een gordijn van pijpenstelen. Het is een witte bestelwagen. Ik krijg een schok. Witte bestelwagens doen me aan vreselijke dingen denken. Ik maak me heel klein. De banden doen het regenwater, meer modder dan water, hoog opspatten. Ik krijg er een deel van in mijn gezicht, op mijn kleren. De bestelwagen stopt en rijdt achteruit. Het zijraampje gaat open en de jongeman achter het stuur vraagt me of ik wil instappen, de fiets kan in de laadruimte. Ik kijk hem aan, vergeet even het gure weer, maar grijp dan mijn fiets en regen of geen regen, wind of geen wind, ik verdwijn als een schicht. Ik duw als een bezetene op de trappers maar – het lijkt wel een nachtmerrie – het voorwiel van mijn fiets geraakt klem. Ik ga over kop. Even gaat het licht uit. Ik krabbel langzaam overeind. Ik voel pijn, betast mijn hoofd en zie bloed aan mijn vingers. En plots staat hij naast mij. Hij heeft een flesje bij. Ik sla het uit zijn hand.

Waarom doe je dat, vraagt hij verontwaardigd.

Het is een spray, je wil me verdoven, antwoord ik.

Het is een ontsmettingsmiddel.

De regen en daar bovenop een bliksemschicht onmiddellijk gevolgd door een donderslag jagen ons naar binnen in zijn bestelwagen. Hij steekt mij een trui toe. Niet mooi, maar warm, voegt hij er lachend aan toe, mijn ma heeft hem gebreid. Hij draait zich om als ik mijn natte bovenkleren uittrek en de trui aantrek. De hoofdwonde zit net waar mijn haargroei begint. Hij maakt de wonde droog met een papieren zakdoekje en ontsmet ze. Hij maakt een zwachtel klaar en legt die om mijn hoofd. Hij duwt dan het spiegeltje boven de voorruit naar beneden zodat ik mezelf kan zien. Staat je goed, lacht hij. Hij komt me aardig voor en straalt vertrouwen uit. Maar het is ons ingeprent dat in elk mens een potentiële moordenaar zit en in elke man een potentiële verkrachter.

Dat is een bestelwagen, zeker, vraag ik hem.

Ja.

En wat bestel je zoal?

Meisjes.

En waar breng je ze naartoe?

Naar de meest biedende. Er is een heel netwerk. Niet alleen in België, maar over de hele wereld.

Worden die dan verdoofd en gekneveld?

Heb ik jou verdoofd?

Neen.

Bij zo’n rotweer ben je toch al blij dat je droog zit, neen? Wij handelen naar het onderzoek dat experts hierover doen.

Aan de universiteit?

Je kan al die gegevens op internet vinden. Wil je straks even meekijken op de laptop?

Ja.

Ik trek plots het pennenmes dat ik altijd bij me heb en houd het in zijn richting.

Ik ben Blauwbaard niet, lacht hij en duwt mijn hand weg, maar bezeert zich hierbij.

Ik heb niet gestoken zeg ik, terwijl hij het bloed met een papieren zakdoekje probeert te stelpen.

Hij maakt mijn fiets los en heeft hierbij duidelijk last van de messteek.

Ik heb je toch niet werk onbekwaam gemaakt?