Inhoud
SYMBIOSE – een parafrase van het natuurkundig verschijnsel waarbij twee ongelijksoortige organismen op of in elkaar leven tot wederzijds voordeel – bestaat uit twee afzonderlijke monologen, Hart en De zoetigheid van een wespensteek die parallel en in dezelfde ruimte worden gebracht waardoor de indruk ontstaat dat de personages met elkaar te maken hebben en er een schijnbare eenheid ontstaat die een nieuwe inhoud blootlegt.
Genre: dubbelmonoloog
Rolbezetting: 1 dame, 1 heer
Duurtijd: 75 minuten
Auteursrechten: Almo
Foto’s uit de voorstelling in zaal De Biekorf in Brugge in regie van de auteur met Hiske De Landtsheer, Karel Hoffman en Noël Van Oyen (gitaar) (2010)
Fragment
RAOUL Hoe is het met Veerle, vraag ik.
Wie is Veerle?
Wel, onze dochter.
Ben je nu ook al haar naam vergeten, je moet er dringend Freud eens op nalezen!
Sinds wanneer verdiep jij je in Freud? Stilte Waar is Evelien, vraag ik haar, alsof ik eventjes verstrooid ben geweest. Stilte
Ik heb een vriend, zegt ze plots, een vetmester, hij komt me straks halen.
Waarom zeg je dat hij een vetmester is ?
O, mag ik dat niet zeggen ? Maar we gaan niet samenwonen, hoor. Hij wil zijn vrouw dat niet aandoen. Stilte. Ik denk dat er met Evelien iets aan de hand is, zegt ze terwijl ze haar lippen bijwerkt. Stilte Zegt het kind tegen mij: Mama, ik ken een meisje dat niet menstrueert en toch een kindje ter wereld bracht, iedereen denkt dat het Maria is met de witte hoofddoek en het blauwe kleed. Fout. Wie is het dan, vraag ik en weet je wat ze zegt?
Hoe zou ik dat weten?
Een meisje gelijk ik. Stilte.Vind je dat niet raar?
Ik antwoord niet. Ik zie Eefje in gedachten naast me zitten. Stilte Kom, we gaan taart eten, zeg ik en we gaan met z’n drieën op een terras zitten. Wespen strijken neer op zoveel zoetigheid. Evelientje slikt een wesp in. Waarom doe je dat toch, roept Greta. Evelientje spuwt de wesp uit. Ben je gestoken ? Ik kijk in haar mond. Ik ben gestoken, hé papa. Ik woel zachtjes door haar fijne haren. Ze kan nauwelijks ademhalen en vraagt me of ik die nacht bij haar wil slapen. Greta vindt dit ongepast. Evelientje dringt aan. Stilte.
Waar is Evelientje nu, vraag ik haar opnieuw.
Thuis. Ze kan het niet verwerken.
Wat ?
Dat jij er niet bent, natuurlijk.
En de vetmester wel? Stilte. Wat heb je haar gezegd, vraag ik haar.
Wat moest ik haar zeggen ?
De vetmester claxoneert twee keer. Greta geeft me een briefomslag waarop ik lees ‘Aan papa’ en haast zich weg. Ik zie haar gebroken schaduw langs de gevel van de overkant wegschuiven. Stilte. Ik open de briefomslag. Stilte Het briefje herinnert me aan Evelientjes stem. Ze klinkt oprecht, maar de dingen zijn niet wat ze lijken. Het grootste cliché. Misschien word ik toch schrijver. Misschien stel ik haar verhaal te boek. Een kinderboek over de zoetigheid van een wespensteek. Stilte Ik berg de brief op. Ik wou dat er een verhaal was. Een echt verhaal, de waarheid van een verhaal dat getoetst is door tal van journalisten die niet van elkaar afschrijven. Geen lui verhaal.
ANNE (in de rol van Evelien) Papa ! We houden toch van elkaar. We hebben elkaar kusjes gegeven. We hebben elkaar eeuwige trouw gezworen. Kom asjeblief terug. Er is om het half uur een trein naar hier. Ik heb het afgelezen van die grote borden in het station. Ik zal elke dag naar het perron komen en op je wachten. Asjeblief, papa, toe. Ik verlang zo naar jou. Niemand houdt meer van jou dan ik. Niemand, ook mama niet. Ze houdt nochtans heel veel van jou. Ze bedriegt jou met die eikel om je jaloers te maken. En als je niet terugkomt, zal ik je ook bedriegen.