Inhoud
Het stuk handelt over de beruchte bende van Bakelandt die op het einde van de 18de eeuw tijdens de Franse bezetting West-Vlaanderen terroriseert.
Bakelandt, een dagloner, zoekt zijn heil in het Franse leger, maar deserteert tot tweemaal toe. Hij ontmoet Simpelaere, die ook uit het Frans leger weggelopen is, en omdat ze als deserteurs vogelvrij verklaard zijn, is er geen andere optie dan te roven en te stelen om in hun levensonderhoud te voorzien.
In 25 taferelen wordt getoond hoe de roversbende zich vormt, zich organiseert, op rooftocht trekt, de buit verdeelt, zuipt en vrijt, ruziet en verzoent en uiteindelijk tegen de lamp loopt.
De kern van de bende bestaat uit Louis Bakelandt, Amandus Simpelaere en de vrouwtjes Ciska Ameye en Belle Vanmaele. Maar de man achter de schermen, de man die de touwtjes in handen heeft, is Jean Busschaert (Knorre).
Jean Busschaert heeft een dochter, Anne Cathérine (Kate), die met Bakelandt vrijt en zwanger wordt. Zij is echter niet opgezet met de strooptochten van haar vrijer en waarschuwt hem voor de zware gevolgen als hij opgepakt wordt. Bakelandt slaat de waarschuwingen in de wind. Kate verlaat ontgoocheld het rovershol. Ciska neemt van dan af haar plaats in. Samen met Belle zoekt zij de boerderijen uit waar Bakelandt en Simpelaere dan toeslaan, terwijl zij de wacht houden.
Tijdens een memorabele nacht komt er een eind aan hun drieste avonturen.
Feiten en personages zijn geplukt uit de naslagwerken Dossier Baekelandt ( Fred Germonprez, 1973) en De bende van Bakelandt (prof Stefaan Top, 1987) en met dichterlijke vrijheid tot leven gebracht.
Rolbezetting: 5 dames, 8 heren, 3 jongens, straatzanger
Duurtijd: 100 minuten
Auteursrechten: Almo
Foto’s van de voorstelling door Het Zwarte Gat in De Feniks te Wingene in regie van de auteur met in de hoofdrollen Wim Lannoo, Hein Cannie, Marc Van Overschelde, Sabine Schotte, Dorine Vande Kerckhove en Heidi Heldenbergh (1987)
Fragment
Geblaf van hoevehond.
CISKA Als de hond zwijgt, zijn ze ermee klaar.
BELLE ‘k Voel mij niet goed, Ciska, mijn hoofd doet zeer, bonken dat het doet en ‘k hoor de stem van Kate over dat bloed, van dat hemd, dat rood hemd en ’t bonkt nog meer. We zouden beter weglopen.
CISKA Bakelandt heeft mij opgelegd om hier de wacht te houden en dat doe ik zolang hij niets anders oplegt.
BELLE En als hij u zegt dat ge in de beerput moet springen.
CISKA Zoiets zegt hij niet.
BELLE Ssssssst! Paarden!
CISKA Gij droomt.
BELLE Ssssst!
Gehuil van een hond die onschadelijk wordt gemaakt.
CISKA ’t Is gebeurd.
Bakelandt en Simpelaere op. Simpelaere knoopt de zak open om de buit te tonen.
BAK. Kom, we zijn hier weg!
BELLE tegen Simpelaere Uw handen bloeden!
SIMP. ’t Is van de hond.
BAK. Ge zijt niet aan de hond geweest, ik heb hem afgemaakt!
BELLE En hangt er ook bloed aan uw handen?
BAK. Neen!
SIMP. De boerin haar neus bloedde.
BELLE En zoveel bloed!
BAK. Wat hebt gij gedaan?
BELLE Hebt ge haar vermoord?
SIMP. Is dat zo erg?
BAK. Hebt ge haar vermoord?
SIMP. Hoe kan ik dat weten, ‘k ben geen doktoor!
BELLE Gij zijt een moordenaar, Simpelaere!
SIMP. Hou uwe mond!
BAK. Wat hebt ge gedaan?
SIMP. Gij hebt haar ook een tikske gegeven, hé, en nog geen zacht tikske, ze viel van haar stoel en landde twee meter verder tegen de muur.
BAK. Maar ze kroop weer recht, ik heb dat gezien als ik naar de zolder liep.
SIMP. En om te voorkomen dat ze met de pook u een slag zou geven, heb ik haar een tikske gegeven.
BELLE Met uwe stok?
SIMP. Ja, met mijn stokske.
BAK. Waar is dat stokske?
SIMP. Godver, ‘k heb het laten liggen!
BELLE ‘k Ga gaan kijken.
Belle af.
CISKA Zouden de gendarms kunnen zien dat het Simpelaere zijne stok is?
BAK. ’t Is maar als ze hem vinden, ik heb hem nog aan Simpelaere gegeven!
CISKA En weet Belle waar dat die stok kan liggen?
SIMP. Ba neen, verdomme! Hier, Bakelandt! Hij gooit de zak met de buit naar Bakelandt en gaat Belle achterna.
Ciska vleit zich tegen Bakelandt aan.
CISKA Zijt ge content, Louis?
BAK. We hebben veel kunnen pakken en ook schone dingen. Ge moet dan maar zeggen wat ge wilt hebben.
CISKA Ik heb niet veel nodig. Een halsdoek, een warme tegen de koude.
BAK. Dat uw hartje niet koud wordt.
CISKA Dat hart van mij kan tegen de koude.
Simpelaere duwt Belle voor zich uit.
SIMP. Ze zegt dat ze mijne stok weggesmeten heeft. Moeten we dat geloven?
CISKA Hebt ge hem weggesmeten?
BELLE Ge zijt gelijk de juge!
BAK. We vragen u dat niet.
BELLE Ge moogt blij zijn dat ik hem weggesmeten heb, dan kan niemand hem vinden.
BAK. En waar hebt ge hem gesmeten?
BELLE In een diepe gracht.
SIMP. Waar? ‘k Ga er u bij smijten, stuk ongeluk. Hij grijpt haar vast.
CISKA Laat haar los, Simpelaere.
BAK. Ze is niet te betrouwen.
BELLE Ze gaan u vinden.
CISKA Ge waart er ook bij.
BELLE Om de wacht te houden en ik heb u gevraagd om weg te lopen.