HART

Inhoud

In de monoloog HART getuigt Anne, een fysiek en sociaal gehandicapt meisje, over het ellendig en doelloos leven met haar morbide broer Willem en haar passionele, extatische liefde voor Eefje, die uitmondt in een gruwelijke liefdesmaaltijd.

Het is een aangrijpend verhaal over vriendschap, liefde in haar tedere, morbide, macabere en mystieke vorm tegen een achtergrond van drugsgebruik, mensenhandel en prostitutie.

Duurtijd: 25 minuten

Auteursrechten: Almo

De monoloog werd door SABAM geselecteerd voor een creatiepremie.

“HART’ is een loodzware monoloog, maar de thema’s zijn actueel en sluiten aan bij de leefwereld van jongeren. (…) Een aangrijpende getuigenis.” (Heleen Mercelis in haar advies voor een creatiepremie)

De monoloog werd gecreërd op Cultuurkuren in Brugge. 

web hart menoka 3

 

De monoloog werd ook opgevoerd op het theaterfestival Spots op West in Westouter.  

hart spots op west aff

 

“HART” werd ook als cultureel project ondersteund door de provincie Oost-Vaanderen. De actrice Charlotte Cackaert bracht de monoloog in de Tinnenpot in Gent.

Fragment

“Ze hebben mijn hand niet afgehakt. Ik ben geen dievegge. Ik heb geen dievenpoot stilte mijn arm is sterk, hij heeft de kracht van twee armen, zegt Willem. Willem heeft er een einde aan gemaakt. stilte

Ik verwachtte het een beetje, hij lachte veel, zomaar, binnenpretjes als ik het hem vroeg, binnenpretjes stilte en hij gooide zich soms voor een rijdende auto en die moest dan plots remmen en hij is ook eens van een brug gesprongen en uit het raam en toen ze hem opraapten, lachte hij hen uit en ze dachten dat hij van een andere planeet kwam, hoe kan het dat zijn ruggengraat niet gebroken is, ja maar als hij niet op zijn rug terechtgekomen is ! Op zijn hoofd dan ? Ik weet het niet. Stilte

Willem is een jongen die gedichten schrijft, niet op papier, hij schrijft ze op ruggen, buiken, billen, schouders, armen, niet op tere delen, dat doe ik niet, zegt hij, hij drenkt zijn ganzenveer in een bodempje bloed en krast een gedicht op mijn achterwerk, ik kan toch niet lezen, hij zegt het op terwijl hij het in mijn poep krast. Neen, natuurlijk niet, grapje, hij schrijft het gedicht niet op mijn poep, ik wil niet dat een jongen mijn poep ziet, hij schrijft het op mijn ontbrekende arm, ja hier toont

haar ontbrekende arm en zegt de versjes op:

‘alles is lucht

ook de dingen

die geen lucht waren

toen we uit

de wereld stapten

als toeristen

naar een verre tante

het geluk’ stilte

naar een verre tante het geluk stilte

Willem is mijn broer, dat zegt hij mij en ik geloof hem. We moeten op zoek gaan naar onze ouders, mijn vader is dood, zeg ik, raar toch hoe wij over dezelfde dingen zo’n verschillende mening hebben … hij zegt nog meer die dag, over de liefde tussen een broer en een zus en dat ze het mogen doen, dat is toegelaten, zegt hij, en hij noemt mij Annabella en hij geeft zichzelf ook een andere naam, Giovanni. Annabella, ik maak je zwanger, zegt hij en ik knik, ik ben verstomd … en hij zegt nog veel mooie dingen, over eenvoud, het eenvoudigste is sterven, zegt hij … we vinden hem in de kamer hiernaast, ik heb de deur dichtgetrokken omdat hij het mij heeft gevraagd. Stilte

Het leven is geen droom, je moet wakker worden, wakker worden (nagalm) ik betast me, wie ben ik, mijn hoofd barst, ik wil mezelf zien en duizenden vragen stellen die ik mezelf nooit gesteld heb, ik zoek een spiegel en daal in een kelder waar een toilet staat, de spiegel is weggenomen, niet door een dakloze, wij lopen niet met een spiegel op straat, en ik spiegel me in de ruiten van de winkels en word opgepakt, ik heb een spiegeltje gestolen, ik wil het niet teruggeven en ze draaien mijn arm om. Ze zijn met drie. Stilte

Ik neem een bad en krijg vers ondergoed en een jeans en een pull en als ik buitenkom, schijnt de zon, mijn ogen doen pijn. De mensen hebben een beetje meer medelijden en geven meer dan anders. Ik ben een bedelares, ja, maar … een mens stilte

Wanneer is iemand mens ? Als zij op twee benen loopt en kleren draagt en schoenen koopt en met een auto rijdt en naar het postkantoor fietst en naar het werk rijdt en naar het ocmw loopt, als zij een mixer heeft, een koelkast, een oven, een huis, een bankkaart, een tv-toestel, een video, cassettes, cd’s, als zij juwelen draagt, naar de kapster gaat, naar de bioscoop, naar de les, naar school … ik ben geen mens. Lange stilte.

Eefje loopt weg van school om bij mij te komen zitten, ze belooft mij te leren lezen en schrijven, ik heb nog papier en een bic van haar. Lange stilte.

Ik heb Eefjes foto zien hangen en Willem zei me dat ze vermist was. stilte

Willem wou me ook leren lezen en schrijven, maar zijn hoofd stond er niet naar. Hij was toen al bezig met naar de hemel te kijken waar hij naast God zou zitten, misschien zit hij daar, of misschien zit hij daar niet, hij is het mij nog niet komen zeggen en hij heeft het me nochtans beloofd. Waarom zwijgt hij ? Zijn vriend Boris zegt dat hij ‘s nachts een stem hoort, het is die van Willem, hoor jij die niet ? Neen en wat zegt hij dan? Ik versta het niet, er zit teveel ruis op, een gedicht met ruis, misschien … Boris’ rug staat vol gedichten met ruis, mistige gedichten heet Willem de krassen in Boris’ rug :

ik rook

ik rasp

ik schuur

ik prik

het bloed

kookt

de temperatuur

dat een sperwer

een mus braadt

… bah … maar dat is mooi, Anne :

ik vind een meisje

haar voetjes zijn dood

ze lacht in de struik

hangt aan een koord

… vind jij dat mooi ? Stilte

Ik heb Boris niet meer teruggezien, misschien is hij op het vliegtuig gezet, als er nog plaats is, de hemel is niet voor iedereen, zei Willem. Stilte

Eefje zal het me zeker komen zeggen, als ze in de hemel is, anders is er geen hemel. Maar misschien moeten ze allemaal hun mond houden en dan zullen we nooit iets weten. Stilte

Ik denk dat er niets is. De juffrouw zei, jij daar viespeuk, jij komt niet in de hemel. Waarom niet ? Je moet je hand boven de lessenaar houden. Ik had jeuk en daarom kom ik niet in de hemel, dat staat zo in haar boek, zei ze en ik volgde haar naar haar kamer. Ze lachte een beetje raar, heel gespannen en nam me op de schoot. Ze gaf me een kus op de wang en dan op mijn mond, haar tong, ik perste mijn lippen op elkaar, ze beet in mijn hals, ik voelde haar hand tussen mijn dijen, mijn lieve viespeuk zei ze, ik rukte me los en holde huilend naar de deur. Maar die was op slot. Ik verborg mijn gezicht in mijn handen. Het werd heel stil. Ik keek op. Stilte

Ze kwam als een boetelinge naar me toe gekropen. Ik heb spijt, heel veel spijt, zei ze en de tranen liepen over haar gezicht en ze smeekte om vergiffenis. Ik voelde me niet goed. Ik wendde me af en liep naar de deur die als vanzelf uit het slot sprong. Ik klom over de schoolmuur en liep tot het pikdonker was. Ik viel meteen in slaap. Het vroor die nacht stenen uit de grond. Niemand wist dat ik weggelopen was, behalve de juffrouw, die zichzelf aan het wurgen was. Toen ze mij vonden was mijn arm bevroren, doodgevroren. Ze hebben hem in de kliniek weggenomen … lange stilte